"Dan formeert de Ene, God, de roodbloedige mens van stof uit de bloedrode grond en blaast in zijn neusgaten ademhaling van leven"

 














"Dan formeert de Ene, God, de roodbloedige mens van stof uit de bloedrode grond en blaast in zijn neusgaten ademhaling van leven"

2008 mixed media 300x400x 100 cm


Ik tast met mijn ogen de opstelling af: onderaan op de voorgrond een verzameling stof en aarde, bezaaid met beenderen, daarboven vliegende monsters, en rechts bovenin, de vage contouren van een mens. De eerste associaties die in mij opkomen draaien om de woorden "creatief proces", "chaos", "schepping", "leven", "toekomst" en "kwetsbaarheid".

In Genesis 2 tast de mens de werkelijkheid af, op zoek naar wat voor hem van werkelijke waarde is: hij geeft namen aan de dieren totdat hij eindelijk vindt wat hij zoekt: een zijnsgelijke, iemand die iets terugzegt, met wie je de liefde deelt en met wie je leven kunt. Ik stel me voor dat ook God zelf zich steeds bij zijn scheppingswerk zou hebben afgevraagd, wat "goed" mag heten voor de toekomst van zijn schepping, iets waar Hij mee verder zou kunnen en waarin hij ergens iets van zichzelf in zou kunnen herkennen. Al experimenterend komt hij erachter wie hij is, hoe het leven kan zijn en hoe de schepping kan lukken.

Eerst schept hij - uit de oerchaos - "hemel en aarde": een leefmilieu waar het licht het duister overwonnen heeft en het droge het natte. De aarde blijkt een levend organisme dat wemelt van leven. Er is groei en ontwikkeling: evolutie van planten en dieren. Elke levensvorm veronderstelt de vorige. Leven is -zie de dorre doodsbeenderen op de voorgrond - eten en gegeten worden. Regeert in dit leefmilieu het recht van de sterkste: "survival of the fittest"? Er verschijnen monsterlijke dieren op aarde en in de lucht, misschien een noodzakelijke fase in de evolutie, maar een ramp voor het zwakkere en weerloze leven. Heeft alles, zelfs zulke kwaadaardige monsters, zijn plek onder de zon of zou schepping ook zuivering, uitschifting, oordeel zijn?

Dan ontstaat daar uit de aarde - als in een sprongmutatie - de mens. "Dan formeert de Ene, God, (Ie roodbloedige mens van stof uit de bloedrode grond en blaast in zijn neusgaten ademhaling van leven". De mens: vreemd en kwetsbaar wezen in de "struggle for life" en juist zo geroepen om Gods partner te zijn. Hij is meer dan natuur, begiftigd met geest, verstand en taal, bij is aanspreekbaar op zijn verantwoordelijkheid voor de schepping, geroepen om haar te bewaken, te bewerken en te verzorgen; hij leeft van liefde geven en liefde ontvangen, is creatief, kan mee-scheppen. Kwetsbaar echter ook: hij kan in dit alles jammerlijk falen en mislukken en delft steeds maar het onderspit in het gevecht tegen de machten van geweld en vernietiging, zoals eindeloos weer blijkt in de Bijbelse verhalen. Met veelzeggende namen wordt hij genoemd: Isj (man) isja (mannin) later Adam (mens) en Eva (vrouw) en in hen zijn alle mensen ter wereld vernoemd. Ik denk hier vooral ook aan Jezus Messias, de mens naar Gods hart: eindelijk een schepsel in wie de schepping lukt, in wie de Schepper zich kan spiegelen. Eén met wie God kan praten, die te vertrouwen is: een verbondspartner, Gods beeld en gelijkenis!


Meditatie, geschreven door ds. Bart Thijs, naar aanleiding van de installatie van TJACOLIEN WIERSMA