registreren | inloggen
Gebruikersnaam Wachtwoord

Frans Hoppenbrouwers, dichter van de Kempen

/~nieuws/pics/hrfst.jpg

Rond de millenniumwisseling hebben wij zowat een jaar lang intensief gecorrespondeerd over de gedichten die hij toen aan het schrijven was. Nu is hij vorige week overleden, Frans Hoppenbrouwers, een Kempische dichter in hart en nieren. De meest serieuze die ik ken. Vóór alles verbonden met de natuur, verliefd op de Dommel, de weilanden, de bomen en de planten van deze streek, waarvan hij de namen – in het Kempisch en het Latijn – en alle bijzonderheden kende. Vertrouwd met en - ondanks de afstand die er tussen hem en de Kerk was ontstaan - gehecht aan de attributen en de sfeer van het katholieke geloof waarin hij was opgevoed. Verknocht aan deze streek, haar bewoners, haar geschiedenis en haar lang onderdrukte en daardoor wat benepen cultuur. Je merkt het als je zijn altijd bedachtzame en gevoelvolle gedichten leest. Bijvoorbeeld die in zijn prachtige bundel Calendarium poëticum, zijn magnum opus, waarin hij voor elke dag van het jaar een sonnet heeft geschreven.
Ik moge hier twee van zijn gedichten onder de aandacht brengen. Allereerst het donkere sonnet dat hij in schreef voor de dag die, naar nu blijkt, zijn laatste zou worden. Daarna eentje voor een dag in het voorjaar, waarop hij nadacht over de betekenis van die kernachtige woorden uit het Onze Vader: ‘Uw naam worde geheiligd’.

CCCXXVI Horariae preces vespertinae
21 november; Vespers

Het donker roest al op het zwaarst getij,
de ransuil slaat de doffe veldhoorn aan
en op de zandweg zie ik schimmen gaan,
zich schuw verhullend in de zwarte brij

die eigen is aan deze norse dagen,
maar voortgaan in de zucht naar averij,
alsof ze zeker van hun schone lei
de laatste kruistocht met vertrouwen wagen.

Ik hoor de zangen maar verkies het zwijgen,
omdat mijn stem de wendingen niet vangt
die woord en toon tot psalmodiëen rijgen.

Ik ben een lijf dat naar een lief verlangt
en naar de dingen die ik nooit zal krijgen,
omdat mijn lijfgoed reeds te drogen hangt.

Dit gedicht doet mij onweerstaanbaar denken aan de film ‘Het zevende zegel’ van Ingmar Bergman.
In het volgende voorjaarsgedicht blijkt hoezeer, ondanks alles, het geloof hem houvast heeft gegeven.

CXXIVSanctificetur nomen tuum
3 mei; Uw naam worde geheiligd

Uw naam is uit een lichtend gat gekropen,
in duisternis en nachtgetij ontstaan,
misschien zoals de fiere ochtendhaan
de loot der dagen kraaiend uit laat lopen.

In naam zijt Gij met ons gezwerf begaan,
maar in mijn handpalm wijst geen nerf naar U,
ik dool maar tastend door het hier en nu,
een zege hond die blaft naar ster en maan.

Ik prevel soms een mortuair gebed
en noem Uw naam die naamloos is verweven
met alles wat mij aan het denken zet.

Toch heeft die naam mij meer houvast gegeven
dan al wat mensen, wijzend naar uw wet,
in blinde dwaling zeggen na te streven.