registreren | inloggen
Gebruikersnaam Wachtwoord

Uit het graf en alsnog aan de schandpaal (2)

Afgelopen weekend heb ik het Onderzoeksrapport van het openbaar ministerie te Roermond – getiteld ‘STRAFRECHTELIJK FEITENONDERZOEK STERFGEVALLEN MINDERJARIGEN HUIZE SINT JOSEPH TE HEEL 1952-1954’ - van het internet kunnen downloaden en lezen. Op een aantal vragen die ik in mijn vorige bijdrage op deze site aan de orde stelde heb ik daarin antwoord gevonden.

Justitie is in zijn onderzoek zeer grondig te werk gegaan en heeft over zijn bevindingen uitgebreid gerapporteerd (het rapport telt 182 bladzijden). Dat geldt onder andere voor mijn tweede vraag: wat is de indruk van broers en zussen van de overleden jongens, van wie er vele waarschijnlijk nog in leven zijn? Alle nog levende broers en zussen van deze jongens zijn opgespoord en indien mogelijk geïnterviewd. Dat waren er toch in totaal maar zes. Hun onwetendheid over de gang van zaken in Heel blijkt over het algemeen groot en wat de doodsoorzaak van hun broer betreft geloofde men wat vanuit Heel werd meegedeeld. Slechts één nabestaande, van wie twee broertjes op Sint Joseph verpleegd werden en in 1953 overleden zijn, doet een aantal kritische uitspraken en weet te vertellen, dat zijn ouders bij de arts van St. Joseph navraag gedaan hadden naar de overlijdensoorzaken van zijn broertjes. (Overigens zonder resultaat: ‘Ik kan me herinneren dat ze zeiden dat ze niets wijzer geworden waren’.) Verdenkingen van een misdrijf zijn bij de nabestaanden niet te vinden.

Ook m.b.t. vraag 3 – hoe konden oversten en medebroeders over hun bekende misdrijven zwijgen? - zijn in het rapport antwoorden te vinden. Die komen er op neer, dat er vóór 1959 geen merkbare verontrusting bestond over het hoge aantal sterfgevallen in de jaren 1952-54, maar wel - met name bij de arbeidsinspectie - over de zware werkomstandigheden (er werd voor Philips productiewerk gedaan), de veiligheid en de soms ruwe omgang met de verpleegde jongens, over arbeidsconflicten met ingehuurde lekenwerknemers en conflicten tussen jongere en oudere broeders. Vooral in 1954 is daar veel gedoe over geweest, maar de slechte omstandigheden bleven ook in de jaren daarna bestaan. Over ‘veel sterfgevallen’ deden wel geruchten de ronde, maar daarvan werd pas in 1959, vijf jaar nadat zij zich hadden voorgedaan en nadat broeder Andreas was overgeplaatst, in geschreven stukken melding gemaakt. Die onthullingen verlosten echter blijkbaar niemand van een lang en moeizaam bewaard geheim.

Voor de veronderstelling dat huisarts Verstraelen bij zijn verklaring omtrent de doodsoorzaken voor druk vanuit het internaat bezweken is – vraag 4 – zijn geen aanwijzingen te vinden; wel voor een gevoel van machteloosheid en onrust bij deze arts, omdat hij moeilijk zicht kon krijgen op wat er precies met de jongens gebeurde gedurende de – vanzelfsprekend talloze - uren dat hij niet aanwezig was. Anderzijds lijken zijn wantrouwen en durf niet zó groot te zijn geweest, dat hij één of meerdere keren een uitgebreide lijkschouw heeft geëist. Men heeft de beschikbare informatie laten beoordelen door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI); diens bevindingen worden in het rapport als volgt weergegeven: ‘ Het was niet duidelijk hoe de bewuste arts bij de 37 overleden jongens tot de oorzaak van overlijden was gekomen. Het was, gezien de gedetailleerdheid van sommige oorzaken, aannemelijk dat de arts enige kennis had van de medische voor-geschiedenis van de jongens, anders of in elk geval meer dan de informatie die in de beschikbaar gestelde dossiers aanwezig was. Deze kennis was, als voorbeeld, ondermeer nood-zakelijk om te bepalen of iemand aan een aangeboren hartafwijking zou kunnen zijn overleden.
Naast deze kennis over de medische voorgeschiedenis zal de arts zich geregeld hebben laten leiden door de informatie van de verzorgers of anderen die in de nabijheid van de jongens waren ten tijde van het overlijden. Deze informatie over de omstandigheden van overlijden was ondermeer noodzakelijk om te bepalen of iemand aan een langdurige epileptische aanval (status epilepticus) is overleden.
Het is de vraag in hoeverre de arts een al dan niet uitgebreide lijkschouw heeft uitgevoerd om de doodsoorzaak te kunnen bepalen of om aanwijzingen te krijgen voor andere dan de veronderstelde doodsoorzaak. Deze vraag was niet te beantwoorden. Voor zover bekend konden alle afgegeven doodsoorzaken op basis van de medische voorgeschiedenis en verkregen kennis over de omstandigheden van overlijden worden bepaald.’


Het rapport gelezen hebbend sluit ik enige schuld van broeder Andreas niet uit. Ik vermoed dat hij een geestelijk nogal ruwe man was, hard voor zichzelf en daardoor misschien ook te hard en te ruw voor zijn pupillen. Het feit dat hij later ingetreden is bij de Trappisten – ook geen softies – is misschien wel indicatief. Maar van moedwil en moordzucht kan ik hem toch moeilijk verdenken. Zulke zaken waren onverenigbaar met zijn christelijke levensopvatting, die hij, gezien zijn levensloop, toch zeer ernstig genomen moet hebben. Bovendien: als hij dood door schuld, doodslag of erger gebiecht zou hebben, had zijn biechtvader hem waarschijnlijk verplicht zich bij justitie te melden, een verplichting die voor een religieus praktisch onontkoombaar geweest zou zijn.

Ik meen te moeten concluderen: de opvallend hoge sterftecijfers in de jaren ’52-54 zijn moeilijk te verklaren en rechtvaardigen verdenking, maar het is te laat en het gevonden feitenmateriaal is te vaag om nu nog van bepaalde doden verdachten te maken.

onschuld broeder is ook niet bewezen

Een 2e bijdrage om een toch redelijke verdenking te weerleggen.

In bovenstaand betoog, waar volgens mij niet in evenredigheid van de verschillende standpunten afwegingen worden gemaakt, komt vaak een voorbehoud (bv het gebruik vh woordje zou) voor. Dat dan toch een conclusie getrokken wordt verbaast mij zeer. Indicatief is dat de schrijver het te laat vindt om een verdenking te mogen uiten 60 jr later. Waarom kan een verdenking te laat zijn? Voor kleine feiten lijkt me het in elk geval niet relevant om een onderzoek te doen, maar we hebben het hier over tientallen jonge doden. Wat zijn daar de criteria voor mbt het te laat zijn van verdenking?

Het is prima dat dit zo onder de aandacht komt, de kerk en de toenmalige authoriteiten hebben niet correct of rechtvaardig gehandeld en dat is nu bij herhaling geconstateerd. Dat handelen moet aan de kaak gesteld worden. Voor waarheidsvinding en ook voor de kinderen zelf en hun (nog levende) familie. Op die manier kunnen ze de gebeurtenissen beter een plaats geven.

Ik beschouw het als een vorm van beschaving dat je niemand uit dit leven laat stappen zonder na te gaan of dat op een niet natuurlijke wijze is gebeurt. Dat is een vorm van respect en aandacht dat een ieder verdient.

Dat is mijn mening, met welke ik de persoonlijke betrokkenheid van de schrijver zeker niet in twijfel wil trekken.

Twijfel mag blijven: onschuld is niet bewezen, maar ...

Inhoudelijk ben ik het geheel met u eens als u vindt dat het 'een vorm van beschaving' is dat je niemand uit dit leven laat stappen zonder na te gaan of dat op een natuurlijke wijze is gebeurd.
Het moeilijke punt is echter dat men dit in Heel feitelijk ook heeft nagegaan: er zijn van alle sterfgevallen doktersverklaringen dat de dood een gevolg was van natuurlijke processen. Een verdenking van broeder Andreas houdt tevens een verdenking in van de huisarts die de verklaringen heeft geschreven; en ik heb geen reden aan de integriteit van die arts te twijfelen.
Tweede punt: ik vind het in alle gevallen bij voorbaat zwak wanneer men iemand pas na vele jaren gaat betichten van ernstige en talrijke misdaden. Aangifte moet gedaan worden onmiddellijk of zeker kort nadat zo'n verdenking gerezen is, niet pas na 60 jaar; zo'n late aangifte van ernstige feiten is in mijn ogen bij voorbaat dubieus. Bovendien kunnen de eventuele misdaden dan verjaard zijn en wordt het veel moeilijker, zo niet onmogelijk, de feiten nog te rechercheren, zoals in dit geval ook gebleken is.
Deze zaak is dan ook zeer onbevredigend geëindigd: schuld noch onschuld zijn bewezen. Alleen is door de verdenking postuum iemands imago beschadigd, en tevens dat van de hele religieuze gemeenschap waarvan hij deel uitmaakte.
Ik vind trouwens de gemakkelijke verkettering van een vorige generatie, die tegenwoordig gebruikelijk is, ook getuigen van een zekere arrogantie; die misplaatst is, omdat onze hedendaagse autoriteiten het in mijn ogen niet beter doen dan de toenmalige. Mijn argwaan jegens de laatsten is niet groter dan die jegens de eersten.

twijfel & reactietermijn

U geeft aan het altijd zwak te vinden als men pas na jaren aangifte doet van ernstige feiten.

Er zijn legio zaken, met name in de relationele sfeer en misbruikzaken, waar mensen onder meer door schaamte zeer laat aangifte doen.

Hoewel ik 60 jaar ook veel vind, sluit het een terechte zaak niet uit. Deze zaak mag onbevredigend geeindigd zijn, maar het boek kan nu dan gesloten worden.

Het imago punt : ja, voor de persoon in kwestie postuum niet fijn. De verkettering vd vorige generatie : ik meen dat dit niet perse een punt in deze discussie is. Wel ben ik van mening dat vroeger niet altijd alles beter was. Zeker niet in het domein vd kerk. Commissie Deetman is er niet voor niets.