Uit het graf en alsnog aan de schandpaal (2)
Bijdrage van gouddelver op maandag 2 juli 2012 om 23:34 uur
Afgelopen weekend heb ik het Onderzoeksrapport van het openbaar ministerie te Roermond – getiteld ‘STRAFRECHTELIJK FEITENONDERZOEK STERFGEVALLEN MINDERJARIGEN HUIZE SINT JOSEPH TE HEEL 1952-1954’ - van het internet kunnen downloaden en lezen. Op een aantal vragen die ik in mijn vorige bijdrage op deze site aan de orde stelde heb ik daarin antwoord gevonden.
Justitie is in zijn onderzoek zeer grondig te werk gegaan en heeft over zijn bevindingen uitgebreid gerapporteerd (het rapport telt 182 bladzijden). Dat geldt onder andere voor mijn tweede vraag: wat is de indruk van broers en zussen van de overleden jongens, van wie er vele waarschijnlijk nog in leven zijn? Alle nog levende broers en zussen van deze jongens zijn opgespoord en indien mogelijk geïnterviewd. Dat waren er toch in totaal maar zes. Hun onwetendheid over de gang van zaken in Heel blijkt over het algemeen groot en wat de doodsoorzaak van hun broer betreft geloofde men wat vanuit Heel werd meegedeeld. Slechts één nabestaande, van wie twee broertjes op Sint Joseph verpleegd werden en in 1953 overleden zijn, doet een aantal kritische uitspraken en weet te vertellen, dat zijn ouders bij de arts van St. Joseph navraag gedaan hadden naar de overlijdensoorzaken van zijn broertjes. (Overigens zonder resultaat: ‘Ik kan me herinneren dat ze zeiden dat ze niets wijzer geworden waren’.) Verdenkingen van een misdrijf zijn bij de nabestaanden niet te vinden.
Ook m.b.t. vraag 3 – hoe konden oversten en medebroeders over hun bekende misdrijven zwijgen? - zijn in het rapport antwoorden te vinden. Die komen er op neer, dat er vóór 1959 geen merkbare verontrusting bestond over het hoge aantal sterfgevallen in de jaren 1952-54, maar wel - met name bij de arbeidsinspectie - over de zware werkomstandigheden (er werd voor Philips productiewerk gedaan), de veiligheid en de soms ruwe omgang met de verpleegde jongens, over arbeidsconflicten met ingehuurde lekenwerknemers en conflicten tussen jongere en oudere broeders. Vooral in 1954 is daar veel gedoe over geweest, maar de slechte omstandigheden bleven ook in de jaren daarna bestaan. Over ‘veel sterfgevallen’ deden wel geruchten de ronde, maar daarvan werd pas in 1959, vijf jaar nadat zij zich hadden voorgedaan en nadat broeder Andreas was overgeplaatst, in geschreven stukken melding gemaakt. Die onthullingen verlosten echter blijkbaar niemand van een lang en moeizaam bewaard geheim.
Voor de veronderstelling dat huisarts Verstraelen bij zijn verklaring omtrent de doodsoorzaken voor druk vanuit het internaat bezweken is – vraag 4 – zijn geen aanwijzingen te vinden; wel voor een gevoel van machteloosheid en onrust bij deze arts, omdat hij moeilijk zicht kon krijgen op wat er precies met de jongens gebeurde gedurende de – vanzelfsprekend talloze - uren dat hij niet aanwezig was. Anderzijds lijken zijn wantrouwen en durf niet zó groot te zijn geweest, dat hij één of meerdere keren een uitgebreide lijkschouw heeft geëist. Men heeft de beschikbare informatie laten beoordelen door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI); diens bevindingen worden in het rapport als volgt weergegeven: ‘ Het was niet duidelijk hoe de bewuste arts bij de 37 overleden jongens tot de oorzaak van overlijden was gekomen. Het was, gezien de gedetailleerdheid van sommige oorzaken, aannemelijk dat de arts enige kennis had van de medische voor-geschiedenis van de jongens, anders of in elk geval meer dan de informatie die in de beschikbaar gestelde dossiers aanwezig was. Deze kennis was, als voorbeeld, ondermeer nood-zakelijk om te bepalen of iemand aan een aangeboren hartafwijking zou kunnen zijn overleden.
Naast deze kennis over de medische voorgeschiedenis zal de arts zich geregeld hebben laten leiden door de informatie van de verzorgers of anderen die in de nabijheid van de jongens waren ten tijde van het overlijden. Deze informatie over de omstandigheden van overlijden was ondermeer noodzakelijk om te bepalen of iemand aan een langdurige epileptische aanval (status epilepticus) is overleden.
Het is de vraag in hoeverre de arts een al dan niet uitgebreide lijkschouw heeft uitgevoerd om de doodsoorzaak te kunnen bepalen of om aanwijzingen te krijgen voor andere dan de veronderstelde doodsoorzaak. Deze vraag was niet te beantwoorden. Voor zover bekend konden alle afgegeven doodsoorzaken op basis van de medische voorgeschiedenis en verkregen kennis over de omstandigheden van overlijden worden bepaald.’
Het rapport gelezen hebbend sluit ik enige schuld van broeder Andreas niet uit. Ik vermoed dat hij een geestelijk nogal ruwe man was, hard voor zichzelf en daardoor misschien ook te hard en te ruw voor zijn pupillen. Het feit dat hij later ingetreden is bij de Trappisten – ook geen softies – is misschien wel indicatief. Maar van moedwil en moordzucht kan ik hem toch moeilijk verdenken. Zulke zaken waren onverenigbaar met zijn christelijke levensopvatting, die hij, gezien zijn levensloop, toch zeer ernstig genomen moet hebben. Bovendien: als hij dood door schuld, doodslag of erger gebiecht zou hebben, had zijn biechtvader hem waarschijnlijk verplicht zich bij justitie te melden, een verplichting die voor een religieus praktisch onontkoombaar geweest zou zijn.
Ik meen te moeten concluderen: de opvallend hoge sterftecijfers in de jaren ’52-54 zijn moeilijk te verklaren en rechtvaardigen verdenking, maar het is te laat en het gevonden feitenmateriaal is te vaag om nu nog van bepaalde doden verdachten te maken.
Justitie is in zijn onderzoek zeer grondig te werk gegaan en heeft over zijn bevindingen uitgebreid gerapporteerd (het rapport telt 182 bladzijden). Dat geldt onder andere voor mijn tweede vraag: wat is de indruk van broers en zussen van de overleden jongens, van wie er vele waarschijnlijk nog in leven zijn? Alle nog levende broers en zussen van deze jongens zijn opgespoord en indien mogelijk geïnterviewd. Dat waren er toch in totaal maar zes. Hun onwetendheid over de gang van zaken in Heel blijkt over het algemeen groot en wat de doodsoorzaak van hun broer betreft geloofde men wat vanuit Heel werd meegedeeld. Slechts één nabestaande, van wie twee broertjes op Sint Joseph verpleegd werden en in 1953 overleden zijn, doet een aantal kritische uitspraken en weet te vertellen, dat zijn ouders bij de arts van St. Joseph navraag gedaan hadden naar de overlijdensoorzaken van zijn broertjes. (Overigens zonder resultaat: ‘Ik kan me herinneren dat ze zeiden dat ze niets wijzer geworden waren’.) Verdenkingen van een misdrijf zijn bij de nabestaanden niet te vinden.
Ook m.b.t. vraag 3 – hoe konden oversten en medebroeders over hun bekende misdrijven zwijgen? - zijn in het rapport antwoorden te vinden. Die komen er op neer, dat er vóór 1959 geen merkbare verontrusting bestond over het hoge aantal sterfgevallen in de jaren 1952-54, maar wel - met name bij de arbeidsinspectie - over de zware werkomstandigheden (er werd voor Philips productiewerk gedaan), de veiligheid en de soms ruwe omgang met de verpleegde jongens, over arbeidsconflicten met ingehuurde lekenwerknemers en conflicten tussen jongere en oudere broeders. Vooral in 1954 is daar veel gedoe over geweest, maar de slechte omstandigheden bleven ook in de jaren daarna bestaan. Over ‘veel sterfgevallen’ deden wel geruchten de ronde, maar daarvan werd pas in 1959, vijf jaar nadat zij zich hadden voorgedaan en nadat broeder Andreas was overgeplaatst, in geschreven stukken melding gemaakt. Die onthullingen verlosten echter blijkbaar niemand van een lang en moeizaam bewaard geheim.
Voor de veronderstelling dat huisarts Verstraelen bij zijn verklaring omtrent de doodsoorzaken voor druk vanuit het internaat bezweken is – vraag 4 – zijn geen aanwijzingen te vinden; wel voor een gevoel van machteloosheid en onrust bij deze arts, omdat hij moeilijk zicht kon krijgen op wat er precies met de jongens gebeurde gedurende de – vanzelfsprekend talloze - uren dat hij niet aanwezig was. Anderzijds lijken zijn wantrouwen en durf niet zó groot te zijn geweest, dat hij één of meerdere keren een uitgebreide lijkschouw heeft geëist. Men heeft de beschikbare informatie laten beoordelen door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI); diens bevindingen worden in het rapport als volgt weergegeven: ‘ Het was niet duidelijk hoe de bewuste arts bij de 37 overleden jongens tot de oorzaak van overlijden was gekomen. Het was, gezien de gedetailleerdheid van sommige oorzaken, aannemelijk dat de arts enige kennis had van de medische voor-geschiedenis van de jongens, anders of in elk geval meer dan de informatie die in de beschikbaar gestelde dossiers aanwezig was. Deze kennis was, als voorbeeld, ondermeer nood-zakelijk om te bepalen of iemand aan een aangeboren hartafwijking zou kunnen zijn overleden.
Naast deze kennis over de medische voorgeschiedenis zal de arts zich geregeld hebben laten leiden door de informatie van de verzorgers of anderen die in de nabijheid van de jongens waren ten tijde van het overlijden. Deze informatie over de omstandigheden van overlijden was ondermeer noodzakelijk om te bepalen of iemand aan een langdurige epileptische aanval (status epilepticus) is overleden.
Het is de vraag in hoeverre de arts een al dan niet uitgebreide lijkschouw heeft uitgevoerd om de doodsoorzaak te kunnen bepalen of om aanwijzingen te krijgen voor andere dan de veronderstelde doodsoorzaak. Deze vraag was niet te beantwoorden. Voor zover bekend konden alle afgegeven doodsoorzaken op basis van de medische voorgeschiedenis en verkregen kennis over de omstandigheden van overlijden worden bepaald.’
Het rapport gelezen hebbend sluit ik enige schuld van broeder Andreas niet uit. Ik vermoed dat hij een geestelijk nogal ruwe man was, hard voor zichzelf en daardoor misschien ook te hard en te ruw voor zijn pupillen. Het feit dat hij later ingetreden is bij de Trappisten – ook geen softies – is misschien wel indicatief. Maar van moedwil en moordzucht kan ik hem toch moeilijk verdenken. Zulke zaken waren onverenigbaar met zijn christelijke levensopvatting, die hij, gezien zijn levensloop, toch zeer ernstig genomen moet hebben. Bovendien: als hij dood door schuld, doodslag of erger gebiecht zou hebben, had zijn biechtvader hem waarschijnlijk verplicht zich bij justitie te melden, een verplichting die voor een religieus praktisch onontkoombaar geweest zou zijn.
Ik meen te moeten concluderen: de opvallend hoge sterftecijfers in de jaren ’52-54 zijn moeilijk te verklaren en rechtvaardigen verdenking, maar het is te laat en het gevonden feitenmateriaal is te vaag om nu nog van bepaalde doden verdachten te maken.




