registreren | inloggen
Gebruikersnaam Wachtwoord

Uit het graf en alsnog aan de schandpaal

AMSTERDAM 28 juni 2012 - Het OM verdenkt een van de broeders van voormalig internaat Sint Joseph in Heel dat hij de hand heeft gehad in de dood van 37 hulpbehoevende jongens onder de 21 jaar in de periode 1952-1954. Deze broeder Andreas werkte in die jaren als enige verzorger van de onder verdachte omstandigheden overleden hulpbehoevende jongens. Ze zijn vermoedelijk het slachtoffer van een misdrijf. Dat maakte het OM in Roermond bekend na onderzoek.

Ik heb ernstige twijfels over de gegrondheid van deze postume verdenkingen. En wel op grond van de volgende argumenten:
1. Het is uiterst vreemd, zo niet ongeloofwaardig, dat over een zo ernstige en omvangrijke misdaad nu pas serieuze verdenkingen rijzen, 60 jaar nadat zij gepleegd zouden zijn, op een tijdstip waarop alle direct betrokkenen overleden zijn en niet meer gehoord kunnen worden.
2. De sterfte van hun eigen kind was natuurlijk bekend bij de ouders. Dezen hebben echter geen instanties gealarmeerd en in geen enkel geval geen aangifte gedaan. Rijst de vraag: waren deze ouders allemaal onkritisch en goedgelovig, zodat zij door de autoriteiten van het internaat allemaal konden worden misleid? Rijst ook de vraag: wat is de indruk van broers en zussen van de overleden jongens, van wie er vele waarschijnlijk nog in leven zijn? Een enkele heb ik op tv aan het woord gehoord, maar wat is de mening van al die anderen over de behandeling van hun broer in Sint Joseph en over de kritische zin van hun ouders?
3. In het licht van de huidige beschuldigingen doet ook de houding van de toenmalige directie van Sint Joseph en van Andreas’ medebroeders merkwaardig aan. Waarom is het aannemelijk dat zij collectief hun ogen gesloten hebben voor ernstige misdaden die in hun directe omgeving gepleegd werden, en waarmee zouden al die betrokkenen hun geweten gesust hebben?
4. Voor de overlijdens is schriftelijk een medische verklaring afgegeven door de toenmalige Heelse huisarts Guus Verstraelen. Welke gronden zijn er om deze arts – voormalig gymnasiast van Rolduc en als zodanig op internet terug te vinden in een autobiografisch geschrift van mr. Anthony Mertens - vele jaren na zijn dood te verdenken van valsheid in geschrifte en medeplichtigheid aan moord? Ik heb niets gelezen over slecht functioneren en, voor zover mij bekend, is hij ook nooit berispt of onbevoegd verklaard.
Wel heeft deze arts tegenover Nico van Hout, oud-hoofdverpleegkundige van Huize Sint Joseph, ooit een verontrustende verklaring afgelegd. Ik citeer uit een krantenartikel: ‘Volgens Van Hout reageerde de arts met een veelbetekenende verzuchting: ,,Ik heb daar zo verschrikkelijk mee gezeten. Ik heb steeds de overlijdenspapieren moeten tekenen en moeten opschrijven dat het hartfalen was. Maar daar kun je niet mee aan de gang blijven natuurlijk. Voor mij is dat een verschrikking geweest.”
Als de huidige verdenking van het OM juist is, moeten we nochtans concluderen, dat deze arts ‘aan de gang gebleven’ is. Achteraf wordt hij ten tonele gevoerd als een lafaard, die het met zijn artseneed niet zo nauw nam en in ieder geval niet bestand was tegen de druk die op hem uitgeoefend zou zijn door een in wezen criminele organisatie. Hoe geloofwaardig is dit? Zeker, de gezondheidszorg in Sint Joseph en Sint Anna was voor een deel zijn broodwinning, maar zou hij daarvoor zijn ethische beginselen opzij gezet hebben? Wie hem gekend heeft mag het zeggen. En zou de academicus Verstraelen uit vrees voor patiëntenverlies zich als een onderdanige ja-knikker medische verklaringen hebben laten dicteren door een paar on- of halfgeletterde broeders? En was hij zo onkritisch, dat hij niet doorvroeg naar de precieze omstandigheden waaronder een jongen was overleden? En zou hij niet nadrukkelijk gevraagd hebben, bij een jongen geroepen te worden voordat het te laat was, dus zodra zich symptomen van levensgevaar voordeden? Mij lijkt het zeer onwaarschijnlijk. Maar wie de dokter gekend heeft moet het maar eens komen zeggen.
5. Van Hout verklaarde ook dat deze huisarts, dokter Guus Verstraelen, in zijn eentje verantwoordelijk was voor de geneeskundige bijstand in de tehuizen van Heel (let op het meervoud). Dat zou betekenen dat hij ook de huisarts was van Huize Sint Anna – een soortgelijk internaat als Sint Joseph, maar dan bestemd voor meisjes en gerund door nonnen - , alwaar zich in diezelfde periode ook veel sterfgevallen hebben voorgedaan. Doch daarvan is inmiddels door onderzoek vastgesteld dat er geen redenen zijn om strafbare feiten te veronderstellen. Hieruit zou geconcludeerd moeten worden, dat de arts zich in het ene internaat heel anders opgesteld zou hebben dan in het andere. Mij lijkt dit niet aannemelijk.

Ik trek mij de verdachtmakingen jegens de broeders en zusters van Heel aan, omdat een zusje van mij toentertijd in Sint Anna verzorgd en overleden is en ik voor de nonnen die haar en vele andere ernstig gehandicapte kinderen jarenlang liefdevol verzorgden, niets dan respect en bewondering heb. Bij Huize Sint Joseph, welk internaat ik niet van binnenuit ken, kan natuurlijk een rotte appel in de mand gezeten hebben, maar hoe waarschijnlijk is dat, alle bovengenoemde feiten in aanmerking genomen?

Het stuitende toppunt van ondoordachte beschuldigingen hoorde ik vanavond in het NOS Journaal uit de mond van journalist Theo Verbruggen. Hij bestond het te beweren dat geestelijk gehandicapten in de jaren vijftig beschouwd werden als het ‘uitschot van de samenleving’ en dat ‘er amper naar omgekeken werd’. Het zou mij een lief ding waard zijn, als ik hem nog eens mee zou kunnen nemen naar Sint Anna, waar ik als jongen zag hoe diep zwakzinnige en vaak ernstig misvormde kinderen (o.a. waterhoofdjes, ernstige schisis en spasticiteit) helder en schoon in hun bedjes lagen en met hoeveel aandacht, geduld en zorg zij door de zusters omringd werden. Ook moest hij nog eens met mijn moeder kunnen spreken, om te horen met hoeveel verdriet zij het advies van onze protestantse(!) huisarts dokter Cats opvolgde om haar verlamde kind, dat zij niet meer tillen en goed verzorgen kon, naar het katholieke nonneninternaat Sint Anna te laten gaan. Ik zou hem graag laten zien hoe zij daar meestal onder tranen dat kind bezocht en noodgedwongen weer moest achterlaten. En hoe zij de zuster – een ware vriendin voor ons – bedankte voor haar goede zorgen. Schandelijk hoe oppervlakkig en populistisch een journalist de onwetende geesten van Nederland anno 2012 op het verkeerde been zet.
Theo Verbruggen moet wegens onverantwoordelijk journalistiek gedrag een taakstraf verrichten: zich een half jaar grondig verdiepen a) in de omvangrijke caritas die vóór de komst van de verzorgingsstaat door katholieke religieuzen onbezoldigd, puur uit naastenliefde, geleverd werd aan wat hij ‘het uitschot van de samenleving’ waagde te noemen, b) in de medische ethiek die in die dagen door artsen gevolgd werd en die hij even gauw in de vuilnisbak kieperde door te zeggen dat er in die tijd naar gehandicapten ‘amper omgekeken’ werd.

Maar nog even terug naar de thans door het OM gepubliceerde verdenkingen. Er is ook geantwoord op de vraag, hoe broeder Andreas zijn 37 jongens aan hun eind geholpen zou hebben. Als vermoeden werd geopperd: het toedienen van een overdosis morfine. Als dit opzettelijk gedaan wordt om ongevraagd iemands leven te beëindigen is dat uiteraard een misdaad, maar de mededeling kwam toch enigszins in een vreemd en naar hypocrisie kleurend daglicht te staan door wat ik gisteren toevallig las bij Tom Lanoye in zijn boek ‘Sprakeloos’. Lanoye’s vader is ernstig ziek en wordt op zijn dood voorbereid. Hem worden door de arts een aantal vragen over de verdere ‘behandeling’ gesteld, waarop hij nogal laconiek en gekscherend, als een ‘kwajongen van veertien’, antwoordt. Maar de zoon voelt de tragiek en schrijft: ‘Hij zat hier zowaar op zijn beurt de amateur-acteur uit te hangen, vlak voor mijn neus, vlak voor zijn dood. Het is een besmetting dat acteren, dat manipuleren, dat vluchten. Niet alleen binnen mijn familie en mijn schrijverij. Ook in dit bejaardentehuis, met zijn begrijpelijke maar strikte regels, met zijn omzichtige achterklap onder het personeel, zijn stilzwijgend laat-katholiek complot, waarbij iedereen weet dat de overdosis morfine in aantocht is voor kamer 218, en iedereen doet hoffelijk alsof – alsof er niets in aantocht is, tenzij de normale gang van zaken, met zijn uitgestreken gezicht en, eens te meer, zijn leugentjes om bestwil, zijn ons-kent-ons, zijn barmhartigheid en zijn achterbaksheid, zijn zwijgende lafheid en zijn zwijgend mededogen. Onze massale onmacht, oog in oog met het mysterie van het leven.’
Zou broeder Andreas op deze manier misschien onze tijd vooruit geweest zijn? Hoeveel recht hebben wij om hem en de arts die bij de jongens een ‘natuurlijke dood’ vaststelde, alsnog uit hun graf te trekken en aan de schandpaal te hangen?

Tekstverbetering

Nu ik mijn stuk, dat de redactie snel op de voorpagina heeft geplaatst - dank daarvoor -, nog eens overlees, merk ik dat ik in het eerste argument een stevige taalfout heb laten zitten, die ik bij dezen wil verbeteren. Er moet staan:
1. Het is uiterst vreemd, zo niet ongeloofwaardig, dat over zo ernstige en talrijke misdaden nu pas serieuze verdenkingen rijzen, 60 jaar nadat zij gepleegd zouden zijn, op een tijdstip dus waarop alle direct betrokkenen overleden zijn en niet meer gehoord kunnen worden.